Zeer recent vernam ik voor het eerst dat er een Eiland van Brienenoord bestond. Hoe is het überhaupt mogelijk dat ik hier nog nooit van gehoord had?! Behoorlijk onnozel, al zeg ik zelf. Ondertussen heb ik begrepen dat het eilandje door vele Rotterdammers nog niet ontdekt is. Daarmee voel ik mij in ieder geval getroost. Vol verwachting ging ik op pad. Op de Stadionweg bij Boterdiep naar rechts richting Hoendiep, auto parkeren en de nostalgische ophaalbrug over et voilà, je waant je in een filmisch decor.

Storm
Het ruige eilandje was eigendom van de familie van Brienen. Een adelijke familie. Het is in de negentiende eeuw ontstaan. Het eiland is vrij toegankelijk en in een krap uur loop je het rond. Het ziet er soms rommelig en ruig uit, maar dat heeft men expres zo bedacht. De storm die 18 januari over ons land raasde, heeft op het eiland behoorlijk huisgehouden. Bomen zijn uit de grond gerukt en liggen zoals ze zijn gevallen.

Ogen tekort
Er is van alles te zien. Resten van het bouwdok voor de metro. Hier werden omstreeks 1962 de tunnelsegmenten voor de metro van Rotterdam gemaakt. Er is een volkstuincomplex waar ook enkele prominente Rotterdammers hun groentes verbouwen. In de winter zijn ze ergens anders maar in de overige jaargetijden struinen er Schotse Hooglanders rond die de boel een beetje kort houden. Zo apart ook dat je onder de A16 doorloopt. Het verkeer raast gewoon boven je hoofd. Goed is te zien dat de tweede van Brienenoordbrug uit 1989 er heel anders uitziet dan de eerste uit 1965. 


Verborgen parel
Er zijn behoorlijk wat vogelsoorten te spotten. Men zegt wel 24 verschillende. Ik zag onder meer het winterkoninkje, roodborstje, boomkruiper en de bonte specht. Er schijnen behoorlijk wat padden te vertoeven op het eiland. Maar die zijn zeker aan het overwinteren, niks van gezien. Vanaf het eiland heb je een waanzinnig uitzicht op de skyline van Rotterdam. Voor het schieten van mooie plaatjes kun je ook goed terecht. Rotterdam heeft zo z’n verborgen pareltjes. Eiland van Brienenoord is er één!

 

foto credits: Kevin Stolk